hadriani sententiae

 

In verschillende middeleeuwse en renaissance-handschriften zijn fragmenten bewaard gebleven van Romeins lesmateriaal in het Grieks en het Latijn. Nog steeds worden tekstdelen ervan gevonden op papyri en perkamentvellen van de eerste eeuw vC tot de 7e eeuw nC. Dit lesmateriaal werd in de negentiende eeuw toegeschreven aan Dositheus, een vierde-eeuwse grammaticus, en staat dan ook wel bekend onder de titel Hermeneumata Pseudodositheana. Nu denken wetenschappers over het algemeen dat het schoolboek in de eerste helft van de derde eeuw door een ons onbekende magister werd samengesteld uit oud en nieuw lesmateriaal. Hoe dan ook, de tekst kende eeuwenlang een grote verspreiding en werd veel gebruikt voor het onderwijs in Grieks en Latijn. Daarom werden in de loop van de tijd woorden verkeerd begrepen en gekopieerd, of aangepast aan het eigentijdse spraakgebruik. Behalve een alfabetische en thematische woordenlijst Grieks-Latijn werden onder andere nog enkele fabels van Aesopus, de geschiedenis van de Trojaanse oorlog en conversatie-oefeningen opgenomen.

In dit samengestelde 'schoolboek' komen Hadrianus' woorden in twee versies voor. De korte versie staat bekend als Hadriani Sententiae (HS, elf sententiae = meningen of oordelen) en de langere versie als Divi Hadriani sententiae et epistolae (dertien sententiae en één epistola = brief). In de korte versie staat het Grieks in de rechterkolom en het Latijn in de linker. In de langere versie zijn de kolommen verwisseld.

In de eerste casus wil een man in het leger opgenomen worden en Hadrianus vraagt welk onderdeel zijn voorkeur heeft. Het antwoord: de Praetoriaanse garde (keizerlijke lijfwacht). Hadrianus raadt hem dan aan eerst in het stadsleger te gaan en een goede soldaat te worden. Dan kun je daarna toetreden tot de Praetoriaanse garde.

In casus twee en zeven gaat het om een probleem tussen vrijgelatenen en hun ex-eigenaar. Hadrianus maakt korte metten met de voorgelegde problemen en zegt een keer: "Gebruik je gezond verstand". Casus drie en dertien gaan over de relatie ouder & kind. Een oude en verarmde vader klaagt tegen Hadrianus dat zijn zoon hem niet verzorgt, hoewel hij zijn hele fortuin aan de jongen heeft gespendeerd. Hadrianus zegt kort en bondig: "Bescherm je vader ... en zorg ervoor dat hij niet nog eens bij mij komt klagen over jou". In casus dertien klaagt een moeder over haar zoon, die haar niet als moeder erkent en dus niet voor haar wil zorgen. Hadrianus: "Als je haar niet als moeder erkent, erken ik jou niet als Romeins burger".

Casus vier is een onduidelijke aanklacht tegen woekerrente, maar de tekst lijkt bewerkt en veranderd zodat de clou niet meer duidelijk is. Hadrianus' antwoord: "de  ... prefect zal de zaak onderzoeken en mij informeren". In casus vijf benadrukt Hadrianus dat toelating tot de ridderstand (equites) niet alleen van je financiële middelen afhangt, maar ook van je onberispelijke levenswandel. In casus zes en acht vraagt een man om een eerder vonnis ongedaan te maken. In het eerste geval antwoordt Hadrianus dat hij de meegebrachte documenten zal bekijken en "kom later nog eens terug", waarschijnlijk om het keizerlijk oordeel te horen. In het andere geval gaat het om een tien jaar oud vonnis. Hadrianus vindt dat de klager te lang heeft gewacht met zijn klacht.

In casus negen en elf (niet in de korte versie van HS) komt een alleenstaande moeder op voor haar kind en dient een klacht in tegen de voogd van het kind. In beide gevallen geeft Hadrianus de moeder gelijk. In casus twaalf (niet in de korte versie van HS) vraagt een vader: "Keizer, mijn zonen worden soldaten ... maar ze zijn onbekend met het soldatenvak. Ik ben bang dat ze moeilijkheden maken en ik alleen achter zal blijven. ... Sta me toe met hen mee te gaan en hun dienaar te zijn, zodat ik een oogje in het zeil kan houden". Allereerst constateert de keizer droogjes dat het vredestijd is, dus veel risico lopen zijn zonen niet en dan staat hij toe dat de vader zijn zonen volgt, maar "de goden staan niet toe dat ik je je eigen kinderen laat dienen", dus bevordert Hadrianus de vader tot centurion.

De genoemde brief in de langere versie van HS zou Hadrianus op zijn verjaardag aan zijn "geliefde" moeder Domitia Paulina hebben geschreven. Hij hoopt dat al zijn daden en acties haar goedkeuring kunnen wegdragen.

Ook al zijn deze schoolteksten wellicht voor een (groot) deel fictief, ze belichten duidelijk de goede kanten van keizer Hadrianus – en niet van andere keizers – zoals die in de papyrus-codex van Montserrat. Hadrianus vonnist eerlijk en duidelijk*. Hij luistert persoonlijk naar de 'gewone' man die met zijn klacht naar hem toekomt. Hij benadrukt de plicht van de kinderen ten opzichte van hun ouders en geeft zelf het goede voorbeeld in de brief aan zijn moeder. Hij neemt vaderloze kinderen in bescherming tegen hun voogden.
Kortom, zeker vanaf begin derde eeuw leerde de schooljeugd Grieks en Latijn met korte verhaaltjes die de positieve kanten en de rechtvaardigheid van Hadrianus benadrukken.  

© conens & van wiechen drs A. van Wiechen

 terug naar bronnen »»