aulus platorius nepos

 

Begin negentiende eeuw werd in Aquileia een marmeren basis van een standbeeld gevonden met daarop een lange inscriptie uit 122/124 of iets later. Uit de inscriptie blijkt dat de locale bestuurders van Aquileia het standbeeld hebben opgericht om Platorius Nepos te eren. Zijn volledige naam luidt volgens deze tekst: Aulus Platorius Nepos Aponius Italicus Manilianus Gaius Licinius Pollio. Wellicht werd G. Licinius Pollio door een zekere A. Platorius (etc.) Manilianus geadopteerd en kreeg hij daardoor die lange naam. Volgens deze inscriptie was hij consul, augur (priester), gouverneur van de provincies Britannia, Germania Inferior en Thracia, bevelhebber van het legio I Adiutrix, quaestor van de provincie Macedonia op voordracht van de vergoddelijkte Trajanus, opzichter van de Via Cassia, de Via Clodia, de Via Ciminia en de Via Nova Traiana, militair tribuun van het legio XXII Primigenia, praetor, volkstribuun en triumvir capitalis en weldoener van Aquileia. De functies werden niet in chronologische volgorde opgenoemd, meer in volgorde van belangrijkheid. Dankzij deze inscriptie en andere bronnen is het mogelijk bij benadering Platorius' leven en carrière te reconstrueren.

Waar hij werd geboren is niet duidelijk. Was hij afkomstig uit Aquileia, waar men hem eerde met een standbeeld, of uit Zuid-Spanje, misschien zelfs uit Italica, de patria van Hadrianus? Waarschijnlijk rond 95 begon hij zijn carrière in Rome als triumvir capitalis, als een van de drie mannen die moesten toezien op het uitvoeren van de door het gerechtshof uitgesproken doodstraffen. Nadat hij een jaar militair tribuun was bij het legio XXII Primigenia in Germania Superior, werd hij als quaestor verantwoordelijk voor de financiën in de provincie Macedonia. In Rome werd hij volkstribuun, daarna praetor, dus verantwoordelijk voor de rechtspraak, en curator van enkele belangrijke wegen in Italië (rond 113). Als bevelhebber van het legio I Adiutrix deed hij (waarschijnlijk) mee aan de oorlog die Trajanus voerde tegen de Parthen (115-117).

Volgens de Historia Augusta (4) bestond er een grote vriendschap tussen Hadrianus en Platorius. Wellicht dat ze elkaar zelfs al als tiener in Italica hebben leren kennen, toen Hadrianus daar als veertien-vijftienjarige op bevel van zijn voogd Trajanus enige tijd (met jagen?) doorbracht. Misschien is Platorius als Hadrianus' vriend of als jachtmaat wel afgebeeld op een van de tondi die later werden hergebruikt in de boog van Constantijn (afb. rechts).
Eens wilde Hadrianus zijn vriend tijdens een ziekte bezoeken, maar de – blijkbaar zeer – zieke Platorius weigerde hem te ontvangen. Als we de HA (23) mogen geloven, had deze weigering geen gevolg, zo uitstekend was hun verstandhouding.

Rond 117 werd Platorius gouverneur van Thracia en in die hoedanigheid is het mogelijk dat hij Hadrianus ontving toen deze als kersverse keizer vanuit Antiochië op weg was naar Rome (begin 118). Tijdens dit gouverneurschap werd hij in de lente van 119 vervangend consul naast Hadrianus, maar of hij toen ook daadwerkelijk naar Rome ging, is onzeker. Toen hij gouverneur was van Germania Inferior en in Colonia Agrippinensis (Keulen) zetelde, ontving hij opnieuw Hadrianus die bezig was met zijn eerste grote reis als keizer. Het legio VI Victrix was bij de Rijn in Vetera (bij Xanten) gestationeerd en Birley (p.124) meent dat het zeer waarschijnlijk is, dat Hadrianus in juni 122 samen met dit legioen en Platorius, de nieuwe gouverneur van Britannia, de oversteek maakte naar die provincie, waar hun eerste stop ongetwijfeld Londinium (Londen) was. Tijdens Platorius' gouverneurschap van Britannia van 122 tot 124 – of waarschijnlijker tot 126/127 – werd zijn naam genoemd in enkele inscripties die gevonden zijn bij de Hadrian's Wall, die onder zijn verantwoordelijkheid werd gebouwd.

De Historia Augusta (15 & 23) meldt dat aan het eind van zijn leven de zieke en argwanende Hadrianus een hekel kreeg aan Platorius, "op wie hij voorheen zo dol was" en die hij misschien zelfs ooit als opvolger in gedachte had. Misschien was dat de reden, dat Platorius zich na zijn gouverneurschap van Britannia terugtrok uit het openbare leven (in Rome of omgeving?). Zijn naam komt voor op in Rome gevonden baksteenstempels, dus bezat hij landgoederen met kleikuilen in de omgeving van de Stad en verdiende hij geld aan de bouwactiviteiten van Hadrianus en diens opvolger.
Verder is niets van A. Platorius Nepos bekend, wellicht had hij een zoon: A.P. Nepos Calpurnianus die rond 160 vervangend consul werd en ook verantwoordelijk was voor het onderhoud van de (oevers van de) Tiber.

© conens & van wiechen A. van Wiechen