p. aelius phlegon

 

We weten weinig van Phlegon. Hij was afkomstig uit Tralles (Tralleis), het huidige Aydın aan de Turkse westkust en is waarschijnlijk rond 110 geboren. De HA (16.1) noemt hem de vrijgelatene van Hadrianus. Hij behoorde tot de entourage van de keizer en schreef enkele boeken in het Grieks. Verder weten we alleen dat Phlegon zelf ook een vrijgelaten slaaf had die schrijver was. In de HA (Severus 20.1) wordt verteld dat deze Aelius Maurus de laatste woorden die keizer Septimius Severus in 211 op zijn sterfbed sprak, opschreef.

Phlegon's beschrijvingen van Sicilië en van de Romeinse feesten zijn niet bewaard gebleven. Wel is zijn opsomming van langlevende mensen (Peri makrobioon) voor een groot deel overgeleverd. Hierin beschreef Phlegon 68 mensen die 100 tot 140 jaar oud werden. Als laatste noemde hij de Sibille van Erythrae (W-kust van Klein-Azië) die rond duizend jaar oud werd en die over zichzelf orakelde dat ze ook na haar dood invloed op de mensen zou blijven hebben. "De vogels zullen, als ze het vlees van haar onbegraven lichaam hebben gegeten, voorspellingen doen die vogelwichelaars zullen verklaren", aldus de vertaling van Ferwerda (zie boek rechts).

Van Phlegon's boek over de Olympiaden zijn slechts fragmenten bekend. Het werk beschreef de geschiedenis van het begin van de Olympische Spelen (776 vC) tot de 229ste olympiade (137-140nC), eindigend met de dood van Hadrianus. Elke olympiade is een periode van vier jaar: het jaar van de Olympische Spelen en de drie daarop volgende jaren. Hij somde de overwinnaars in Olympia op, maar vertelde ook welke belangrijke gebeurtenissen plaatsvonden, zoals een aardbeving in Rome of de geboorte van een belangrijke dichter. In de laatste twee delen van dit werk schreef hij over de regering van Hadrianus. Helaas zijn hiervan slechts enkele, kleine fragmenten bewaard gebleven. Erg jammer, want veel hedendaagse wetenschappers nemen aan dat zijn relaas (een deel van) de reisroute volgde van de keizer.

Phlegon's Boek over wonderen (Peri thaumasioon) - door Ferwerda vertaald als Wonderbaarlijke verschijnselen – is wél bewaard gebleven en geeft ons een leuk inkijkje in de interesses van de geletterde Romein in die tijd. De 35 opgesomde en kort beschreven 'wonderen' betreffen: doden die (kortstondig) weer tot leven kwamen en orakelende hoofden (1-3), spontane sekse veranderingen van vrouw naar man (4-10), enorm grote beenderen (11-19), ongewone geboortes (20-21, 25), vrouwen die dieren baarden (22-24), mannen die kinderen kregen (26-27), vrouwen die veel kinderen kregen (28-31), mensen die snel en kort leefden (32-33) en levende centauren (34-35). Over een van die centauren schreef Phlegon, dat "die naar Rome is gestuurd". Als je als lezer zijn woorden niet geloofde, dan moest je het zelf maar gaan onderzoeken: "hij ligt namelijk gebalsemd en wel in de opslagplaatsen van de keizer" (vertaling Ferwerda).

Het lijkt erop dat Phlegon bij het schrijven van dit boek zich liet inspireren door Griekse én Romeinse auteurs, onder wie de encyclopedist Plinius.
Paradoxografie – beschrijving van zonderlinge natuurverschijnselen e.d. – was zeker vanaf de derde eeuw vC een bekend literair genre in het Grieks en later ook in het Latijn. Keizer Hadrianus zelf zou een (onder)zoeker naar allerlei merkwaardigheden zijn geweest, als we tenminste de woorden van de christelijke schrijver Tertullianus (ca. 160-na 220) mogen geloven. Phlegon stond dicht bij Hadrianus, dus het lijkt aannemelijk dat hij dit boek geschreven heeft op instigatie van de keizer of om hem een plezier te doen. In ieder geval gaf Hadrianus hem de opdracht een topografische studie te schrijven over Rome. De keizer wilde de bijzondere plekken en gebouwen van de hoofdstad leren kennen. Op die manier kwam Hadrianus te weten welke bouwwerken – populair bij het plebs  van Rome –  gerestaureerd of herbouwd moesten worden. Helaas voor ons is van dit werk niets bewaard gebleven.

Volgens roddels in de oudheid verlangde Hadrianus "zozeer naar wereldwijde roem dat hij zijn eigen biografie schreef, die overhandigde aan zijn geletterde vrijgelatenen en hun opdroeg haar onder hun eigen naam te publiceren. Ook de boeken van Phlegon zijn, zegt men, door Hadrianus geschreven" (HA 16.1). Tegenwoordig nemen we deze opmerking niet meer erg serieus, maar duidelijk is wel dat Phlegon behoorde tot Hadrianus' staf en ongetwijfeld ook met de keizer meereisde. In zijn Wonderen-boek, dat hij opdroeg aan Aelius Alcibiades een andere vrijgelatene en tevens kamerheer van Hadrianus, schreef Phlegon over een zekere Aetete in het Syrische Laodicea (Latakia, Syrië). Zij werd tijdens haar huwelijk een man en noemde zich daarna Aetetus. Dit gebeurde toen die en die consuls van Rome waren (volgens onze jaartelling 116 nC) en hij voegde eraan toe: "Ik zelf heb deze persoon gezien". Mag je dan concluderen dat Hadrianus, enkele maanden later gouverneur van Syria, in 116 nC in – of in de buurt van – Laodicea was?
Het zou heel goed mogelijk zijn, maar zeker weten doen we het niet.

 

© conens & van wiechen drs A. van Wiechen

 

Het bewaard gebleven werk van Phlegon werd vertaald in het Nederlands door Rein Ferwerda (2004) met een uitgebreide uitleg, in het Engels door William Hansen (1997) en Julia Doroszewska (2016) en in het Duits door Kai Brodersen (2002, met Griekse tekst). Deze boeken zijn te vinden via de linken in de rechterkolom.

 terug naar tijdgenoten »»