quintus lollius urbicus

Het leven van Quintus Lollius Urbicus begon op de roodbruine rotsen en in de roodbruine aarde van Tiddis ten NW van Constantine (Algerije), het Romeinse Cirta, de hoofdstad van de Romeinse provincie Numidia. Een man uit de provincie die in de tijd van Hadrianus een bliksemcarrière maakte.

Wat we van hem weten is vooral te danken aan een inscriptie op een sokkel die archeologen midden negentiende eeuw in Tiddis opgroeven. De inwoners van deze van oorsprong inheemse stad waren trots op hun stadgenoot en zij eerden hem met een (nu verloren gegaan) standbeeld en sokkel. Net zoals het geval was bij tijdgenoot Platorius Nepos geeft de sokkelinscriptie de functies van Q. Lollius Urbicus aan. Iets buiten Tiddis is nog een groot deel te zien van het ronde familie-mausoleum dat Lollius liet bouwen voor zijn familie. Ook zijn vijf korte inscripties in Engeland gevonden die Lollius met naam noemen. Hij wordt kort in de Historia Augusta en in Eusebius' Kerkgeschiedenis genoemd. Deze epigrafische bronnen aangevuld met archeologische vondsten maken het mogelijk de carrière van Lollius te reconstrueren.

Toen de familie Lollius in Tiddis woonde (eind eerste eeuw), oogde de stad nog weinig Romeins. De inheemse stad slingerde tegen de roodbruine rotsheuvel op en de inwoners werden nog begraven onder traditionele ronde grafheuveltjes, die in het archeologen-jargon bazinas worden genoemd. Marcus Lollius Senecio was een landeigenaar, misschien van inheemse (berber-) origine, die al enige carrière had gemaakt. Hij was getrouwd met Grania Honorata en zij kregen (ten minste) drie zonen. De oudste heette zoals zijn vader en daarna volgden Marcus Lollius Honoratus en Quintus Lollius Urbicus. Wie van deze twee de jongste was, is onduidelijk. Quintus' geboortejaar is onbekend en ook de jaartallen voor het begin van zijn carrière zijn niet precies aan te geven (eind eerste eeuw).

Na zijn lidmaatschap van een commissie in Rome die toezicht hield op de grote verbindingswegen, begon Quintus Lollius Urbicus zijn militaire carrière zoals gebruikelijk als tribunus, als legerofficier. Hij werd gestationeerd bij het legioen XXII Primigenia in Mainz. Misschien dat hij daar kennis maakte met de keizer in eigen persoon, toen Hadrianus daar in 121-122 een bezoek bracht voor hij naar Britannia vertrok. Na zijn quaestorschap (financiële controleur) in Rome werd Lollius gedelegeerde van de gouverneur van Asia Minor (Klein-Azië). Hadrianus had hem toen al zeker in het vizier, want hij werd daarna als "kandidaat van de keizer" benoemd tot volkstribuun en praetor (rechter) in Rome.

De volgende stap in zijn carrière was het bevelhebbersschap van het legioen X Gemina in Vindobona (Wenen). Van daaruit werd Lollius door Hadrianus aangesteld als stafofficier in Judaea tijdens de zgn. tweede joodse opstand (132-135). Zijn optreden werd gehonoreerd met een gouden kroon en een hasta pura (letterlijk: zuivere lans/speer), een – wellicht gouden –  ere-insigne in de vorm van een speer. Daarna kwam hij in Rome in het priestercollege van fetiales, dat al sinds Rome's begin aan de vijand de oorlog verklaarde of vrede sloot. Wellicht dat hij in 135 of 136 consul werd.

Opnieuw moest Lollius naar het noorden, toen hij gouverneur (138-139) werd van Germania Inferior met Keulen als hoofdplaats. In deze periode plaatsten de inwoners van Tiddis het met gemeenschapsgeld betaalde standbeeld voor Lollius op hun forum, want zijn volgende carrièrestap wordt in de inscriptie niet genoemd. Vlak na Hadrianus' dood benoemde Antoninus Pius hem tot gouverneur van Britannia (138 - ca. 143) en de Historia Augusta (Antoninus Pius 5) meldt: "Zo overwon zijn [de keizer] legatus Lollius Urbicus de Britanniërs en legde deze na het terugdrijven van die barbaren een tweede wal van plaggen aan". Het betreft hier de ca. 60km lange Antonine Wall (140-145) van de Firth of Forth in het oosten naar de rivier de Clyde in het westen, ca. 160 km ten noorden van de Hadrian's Wall. Lollius opereerde waarschijnlijk vanuit Corbridge, waar zijn naam in twee wijdingsinscripties genoemd wordt. Toen deze Antonine Wall werd opgegeven, had de aarden muur amper twee decennia dienst gedaan. Hadrian's Wall werd toen weer de grens.

Ongetwijfeld keerde Lollius na dit gouverneurschap weer terug naar Rome, waar hij stadsprefect werd (146-160). Althans als de Urbicus die kerkvader Eusebius in zijn Kerkgeschiedenis (IV.17) noemt 'onze' Urbicus is. In die functie was hij – op de keizer na – de machtigste man in Rome die verantwoordelijk was voor de veiligheid en de rechtspraak in de stad. In die hoedanigheid zou hij enkele christenen om hun geloof hebben laten terechtstellen, tenminste als we de woorden in de Tweede Apologie van de christelijke Justinus de Martelaar († ca. 165) mogen geloven.

In deze periode vergat hij zijn geboortegrond en zijn familie niet, want op zijn kosten liet hij bij Tiddis een familiemausoleum bouwen voor zijn ouders, twee broers en een oom. De ronde vorm weerspiegelde de inheemse tradities van de bazinas, maar bouwwijze en inscripties zijn Romeins.

Quintus Lollius Urbicus stierf in 160, als de fragmentarisch bewaard gebleven Fasti Ostienses, een kalender-inscriptie op marmeren platen gevonden in Ostia die onder anderen de Romeinse consuls opsomt, door moderne wetenschappers juist is aangevuld.

En dan sta ik daar, in Corbridge, onder de voor Engeland zo kenmerkende donker dreigende lucht waaruit elk moment regen kan vallen. Ik ken de blauwe lucht en de stralende zon van Tiddis, van Judaea en Asia Minor (Turkije). En Rome, Keulen en Wenen ... al die steden ken ik goed, zeker de Romeinse resten. En ik realiseer me dat niet alleen keizer Hadrianus veel reisde, maar ook de (militaire) elite, zoals Quintus Lollius Urbicus. Afkomstig uit een inheems en onbeduidend roodbruin stadje van Numidia bereisde hij in allerlei functies het Romeinse rijk en eindigde als de (op één na) machtigste man van Rome.      

© conens & van wiechen A. van Wiechen