decimus junius juvenalis

 

Deze satiredichter leefde ongeveer van 60 tot 140 nC, zijn precieze geboorte- en sterfjaar zijn onbekend. Hij woonde en werkte in Rome. In het begin van zijn carrière zal hij afhankelijk zijn geweest van de gunsten van de rijke elite. Later ging het hem blijkbaar beter, want toen bezat hij een boerderij bij Tivoli. Hij publiceerde pas op latere leeftijd, want in de periode van Domitianus (r.81-96) was er sprake van censuur. Vandaar dat Juvenalis ten tijde van Hadrianus anderen aanspoorde te publiceren: "Dus laat elk jong poëet aan 't werk gaan. Nu! De keizer richt zijn aandacht weer op u en spoort u aan en vraagt om wederwoord" (VII.20).

We weten weinig van de mens Juvenalis. Was hij een misogyn die niets van het huwelijk moest hebben, zoals uit zijn zesde satire zou kunnen blijken? Heeft hij Egypte bezocht waarvan hij het bijgeloof – "iedereen weet hoe dwaas Egypte doet in zijn geloof aan vele wonderwezens" – in zijn vijftiende satire zo beeldend beschreef?

Juvenalis toont zich in zijn zestien Satiren een dichter met een grote opmerkingsgave en een heerlijke satiricus van zijn tijd. Hij bekritiseert arm & rijk, man & vrouw, senator & schandknaap en kookt van woede "wanneer ik 't volk zie lijden onder de vriendenkliek van profiteurs en souteneurs" (I.46). Je zou hem enigszins kunnen vergelijken met een huidige cabaretier die zijn eigen wereld en medeburgers op de hak neemt. Vandaar dat Juvenalis' satiren ons een prachtig (en overdreven) beeld geven van Hadrianus' tijd.
Helaas is de mooie Nederlandse vertaling van M. d'Hane-Scheltema uit 1984 op dit moment alleen nog tweedehands te koop (zie rechter kolom).  

© conens & van wiechen drs A. van Wiechen

 terug naar tijdgenoten »»