italica

 

Italica ligt aan een zijrivier van de Guadalquivir (Baetis), ongeveer 8km ten NW van Sevilla (Hispalis). Opgravingen hebben aangetoond dat de plek al vanaf de vierde eeuw vC werd bewoond. In 206/205 vC werd bij deze kleine, inheemse Turdetanische nederzetting een stad gesticht door Scipio Africanus voor zijn gewonde soldaten en veteranen. Het werd de allereerste Romeinse stad in Hispania. Enige nostalgie was de Romeinse bewoners blijkbaar niet vreemd, want de stad kreeg de naam Italica. Men leefde van de landbouw. Vooral olijfolie en wijn werden geëxporteerd. De stad groeide, maar veel is nog niet bekend van de eerste drie eeuwen van Italica, want de 'oude stad' (vetus urbs) ligt onder het huidige Santiponce en daardoor is onderzoek zeer moeilijk. Aan het eind van de eerste eeuw vC kreeg het de status van municipium. De stad gaf toen enkele bronzen munten uit met aan de voorkant de buste van Augustus en aan de andere zijde Romulus, Remus en de godin Roma. Hiermee werd de nieuwe status gevierd en de Romeinse origine van de stad nog eens benadrukt. Wel blootgelegd is het theater uit de tijd van keizer Tiberius (r.14-37). Aan het eind van de eerste eeuw kreeg de stad een thermencomplex, maar verder is nog weinig bekend van het Italica van vóór Hadrianus. 

Italica was de patria van de keizers Trajanus en Hadrianus, dat wil zeggen dat hun families al generatieslang in Italica woonden en wellicht ooit behoorden tot de eerste veteranen. Toen Hadrianus op 24 januari 76 werd geboren, bevonden zijn ouders zich waarschijnlijk niet in Italica, maar in Rome (HA). Hoe dan ook, als patria was de stad voor Hadrianus belangrijk. Als tiener bracht Hadrianus er (rond 90) enige tijd door, maar hij stortte zich met zoveel enthousiasme op de jacht dat men hem terugriep naar Rome om een serieus begin te maken met zijn carrière.

Tijdens zijn reizen als keizer is Hadrianus in Hispania geweest. Hij bezocht zeker Tarragona (NO Spanje), maar voor een bezoek aan Italica zijn geen bewijzen. Wel – zo vertelt CD (10.1) ons – gaf hij de stad eerbewijzen en vele grootse geschenken. Met deze zin in het achterhoofd en met de archeologische opgravingen en vondsten voor ogen is het mogelijk tot een reconstructie te komen van de bouwactiviteiten ten tijde van Hadrianus. Zeker is het niet, maar wél zeer waarschijnlijk!

 

Hadrianus gaf het volledige burgerrecht aan alle vrije inwoners en vanaf dat moment heette de stad voluit Colonia Aelia Augusta Italicensium (Italica). De elite van de stad was niet alleen trots op deze hogere status, maar ook op het feit dat twee 'kinderen' uit de stad het hoogst mogelijke hadden bereikt: het keizerschap. Door financiële en logistieke middelen die Hadrianus ter beschikking stelde, kon de elite de 'oude stad' (vetus urbs) verfraaien en uitbreiden met een 'nieuwe stad' (nova urbs). Een gedeelte van dit tweede-eeuwse Italica is al blootgelegd en archeologen zijn nog steeds bezig. Nu zichtbaar in de Italica-opgravingen is het regelmatige stratenpatroon van 6-8m brede straten met aan weerszijden ca. 2m brede overdekte trottoirs.

In de rechthoekige ruimten (insulae) tussen de straten zijn de fundamenten van rijke woonhuizen te zien. De opgaande muren zijn voor het grootste deel verdwenen, maar vloermozaïeken zijn nog steeds in situ te zien (Medusa rechts).

 

Een van de mozaïeken is hoofdzakelijk in zwart-wit-steentjes uitgevoerd en laat het zeeleven zien en scènes uit Egypte: pygmeeën die strijden, op krokodillen staan of in een palmboom klimmen (rechts). Onder dit mozaïek is een munt gevonden uit de laatste regeringsjaren van Hadrianus, dus moet het vloermozaïek in of na die tijd zijn gelegd.  

 

Nog steeds indrukwekkend is het enorme amfitheater van Italica, dat behoort tot een van de grootste van het Romeinse rijk. Zeker 25.000 toeschouwers konden kijken naar de gladiatorengevechten en andere spelen.

In een ruim opgezet badgebouw werd een loden pijp teruggevonden met daarop de naam van keizer Hadrianus. Goede wateraanvoer voor deze thermen én voor de nova urbs werd mogelijk door de uitbreiding van het eerste-eeuwse aquaduct. Water werd uit nieuwe, iets verder gelegen bronnen betrokken.

Tijdens opgravingen in de jaren tachtig vonden archeologen de fundamenten terug van een grootse tempel, die (zeer waarschijnlijk) voor de keizercultus werd gebruikt en dan ook in de literatuur het Trajaneum en ook het Hadrianeum wordt genoemd (plattegrond rechts). De oppervlakte (ca. 95 x 110m) bedroeg twee insulae en aan de hand van brokstukken marmer en fragmenten van beelden kwamen de opgravers tot de volgende reconstructie (ter plekke zijn alleen contouren van de plattegrond te zien): een geheel ommuurd tempelcomplex met één ingang aan de korte zijde; aan de andere drie buitenmuren zijn de halfronde en rechthoekige exedrae (uitbouwen) – drie aan elke zijde – goed te zien. Op de grote open hof omzoomd door een porticus stond de tempel op een podium. Het marmer voor dit complex werd uit verre streken geïmporteerd, uit Italië (Carrara, Luni), uit Griekenland (Chios en Carystus op de zuidkust van Euboea) en Noord-Afrika (Chemtou in Tunesië). Aan weerszijden van de tempel zijn de resten gevonden van vier maal vijf bases voor standbeelden. In 1788 werd in dit toen nog niet opgegraven gebied een standbeeld gevonden van een heroïsche naakte Trajanus, nu in het archeologisch museum te Sevilla. In datzelfde museum is nu ook een uit Italica afkomstige buste van Hadrianus te zien (rechts). Wellicht was dit beeld ook onderdeel van de tempel? In de opgravingen herinnert alleen de kunststoffen replica van de heroïsche Trajanus (rechts) aan de twee keizerlijke 'kinderen' van Italica.  

Lang heeft de elite van Italica niet kunnen genieten van haar nieuwe behuizing in het nova urbs. Terwijl de vetus urbs (gedeeltelijk) tot in de twaalfde eeuw bewoond bleef, werd de nova urbs al in de derde eeuw opgegeven. Naar de reden is het gissen. Verhuisde de elite naar elders? Of was het onderhoud van de tempel en de huizen zonder keizerlijke financiële steun niet meer mogelijk? 

© conens & van wiechen drs. A. van Wiechen