appianus

 

Appianus werd in Alexandrië geboren (ca. 95) als zoon van een rijke familie. Naar eigen 'schrijven' bekleedde hij in zijn geboorteland de hoogste functies. Aan het eind van de regering van Trajanus (r.98-117), toen ook in Egypte de joden in een opstand kwamen, was de jonge twintiger nog in Egypte. In een middeleeuws handschrift is eind negentiende eeuw een fragment gevonden van Appianus' boek over de militaire activiteiten van Trajanus. Het hele werk is verloren gegaan, maar in dit fragment beschreef Appianus hoe hij ontkwam aan de opstandige joden (116-117). Hij wilde per schip naar Pelusium aan de oostkant van de Nijldelta vluchten. Blijkbaar kende hij de streek niet goed, want hij had een Arabische gids nodig om bij zijn gecharterde boot te komen. Maar bij zonsopgang hoorde de gids een kraai krassen en constateerde dat ze verdwaald waren. Toen de gids de kraai opnieuw hoorde, zei hij radeloos; "we zijn nu helemaal verdwaald". Appianus schreef dat hij verbaasd was en angstig werd in dit gebied waar een opstand gaande was. De kraai kraste voor de derde maal. De gids die geloofde in voortekens, werd daar blij van en zei: "we zijn verdwaald, maar we hebben een sluiproute gevonden!" Weliswaar glimlachte Appianus, maar hij vreesde nog altijd voor zijn leven. De kraaienprofetie kwam uit, want uiteindelijk vonden zij een galei die richting Pelusium voer. Later hoorde Appianus dat de door hem gecharterde boot in handen van de joden was gevallen. Kortom, hij had geluk gehad dankzij een krassende kraai!

Daarna verhuisde Appianus naar Rome, om carrière te maken. Hij schreef dat hij daar pleitredes hield in het bijzijn van keizers, ongetwijfeld Hadrianus en Antoninus Pius. Wetenschappers vermoeden dat hij in zijn werkzame leven advocatus fisci (hoge ambtenaar van de belastingen) is geweest, want uit zijn literaire werk blijkt zijn interesse in administratieve en financiële aspecten. Hij vertelde ook dat hij van plan was een boek over het Romeinse belastingstelsel te schrijven, maar dat boek is er nooit gekomen of verloren gegaan. Hoe dan ook, hij verkeerde in de hoogste kringen. Een van zijn vrienden was Marcus Cornelius Fronto, opvoeder van de latere keizer Marcus Aurelius. Fronto schreef keizer Antoninus Pius twee brieven met het verzoek zijn dierbare en integere vriend Appianus, die kinderloos was, een betaalde erebaan te geven. Niet om het geld, maar omdat hij die vanwege zijn uitmuntendheid en gevorderde leeftijd verdiende. Na een derde brief van Fronto aan de keizer was het dan zover (in 161?): Appianus werd door Antoninus' opvolger aangesteld als procurator augusti (waarschijnlijk in Egypte). Het exacte jaar van Appianus' dood is niet zeker (rond 165).

De bewaard gebleven correspondentie van Fronto bevat ook twee brieven die ons een zeer persoonlijk kijkje gunnen in het leven van deze twee vrienden (geschreven rond 160). Appianus schonk een cadeau – twee slaven – aan Fronto, maar de ontvanger accepteerde dit cadeau niet en zond de slaven terug. Toen schreef Appianus dat hij vanwege darmproblemen Fronto niet kon ontmoeten en dat hij in deze brief eerlijk en oprecht als vrienden onder elkaar zijn mening wilde geven over het geven én aannemen van geschenken. Hij somde verschillende argumenten op voor het accepteren van geschenken en eindigde zijn brief met: "Stuur mijn geschenk niet voor de tweede keer terug, zoals je ook al de eerste keer niet had mogen doen". Fronto's antwoord liet niet lang op zich wachten en werd hem ongetwijfeld overhandigd door de twee slaven, die opnieuw door Fronto werden geweigerd. In deze lange brief onderbouwde hij zijn weigering, of liever gezegd legde hij uit dat het teruggeven van de slaven was bedoeld als "een gelijkwaardige tegengift" onder vrienden! 

Appianus schreef 24 boeken in het Grieks over de Romeinse geschiedenis (Rhomaike Historia, ook bekend onder de Latijnse titel: Historia Romana), van de stichting van Rome tot en met de militaire acties van Trajanus. De indeling is chronologisch, maar ook – zeer ongebruikelijk – geografisch van aard. Rome was nog wel de spil, maar de provincies kregen duidelijk hun eigen plek in de geschiedenis. Een tendens die heel goed paste in die tijd. Immers, Hadrianus (r.117-138) was begonnen om het belang van de provincies te onderstrepen. Helaas is veel van zijn werk niet bewaard gebleven – zoals zijn vier boeken over de geschiedenis van Egypte– of alleen bekend via een Byzantijnse samenvatting. Van zijn vijf volledige boeken over de interne Romeinse oorlogen (de tijd van Sulla, Julius Caesar, Octavianus c.s., 133-35 vC) verscheen onlangs een Nederlandse vertaling (John Nagelkerken).

Appianus was een jongere tijdgenoot van Hadrianus. Of hij de keizer in Rome of Egypte zelf heeft gezien of gesproken, is onbekend. Wel noemde hij Hadrianus ten minste tweemaal in zijn werk over de Romeinse burgeroorlogen. In zijn boek 14 beschreef hij op pakkende wijze de lafhartige moord op Julius Caesar's tegenstander Pompeius door de Egyptische vorst en zijn entourage. Dat gebeurde in de omgeving van Pelusium, waar Appianus zelf ook was geweest.
Pompeius, op zoek naar militaire hulp, arriveerde hier met zijn mannen en schepen "door een of andere goddelijke ingreep" (14.84). Ptolemaeus en zijn gevolg stonden op het strand en ze stuurden een wrakkig bootje om Pompeius op te halen. Pompeius kreeg argwaan en dacht een man te herkennen. "Toen Pompeius hem weer de rug toedraaide, stak de man hem direct als eerste, waarna de anderen volgden. Vanuit de verte zagen de vrouw van Pompeius en zijn vrienden dit gebeuren; onder luid gejammer hieven ze hun handen ten hemel naar de goden die gebroken beloften wreken, en ze voeren zo snel mogelijk weg uit vijandelijk gebied. [De medestanders van de Egyptische vorst] hakten het hoofd van Pompeius af en bewaarden het voor Caesar in de hoop op een grote beloning (maar hij gaf hun het verdiende loon voor hun goddeloze daad), en een onbekende begroef de rest van het lichaam op de kust en richtte er een eenvoudig gedenkteken op, waarop weer iemand anders de volgende inscriptie aanbracht:

Wat een armoedig graf voor een man die grossierde in tempels.

In de loop der jaren verdween dit monument volledig onder het zand, en bronzen beelden, die later door de verwanten van Pompeius waren opgesteld ...., raakten allemaal beschadigd en werden verplaatst naar de geheime ruimte van de tempel. In mijn tijd ging de Romeinse keizer Hadrianus tijdens een verblijf in dit gebied ernaar op zoek en vond ze, waarna hij het graf opknapte en weer toonbaar maakte en de beelden van Pompeius op hun plek terugzette" (Appianus 14.85-86 vertaling J. Nagelkerken).

Blijkbaar hadden de door Appianus geraadpleegde bronnen niet beschreven dat die "iemand anders" die de grafinscriptie dichtte, ook Hadrianus was (CD 11.1).

Appianus schreef dat als mensen meer over hem wilden weten, ze zijn autobiografie maar moesten raadplegen. Helaas, ook die is niet bewaard gebleven!

© conens & van wiechen drs. A. van Wiechen