zomer 128

Na vijf jaar aanhoudende droogte hebben de boeren van Noord-Afrika de hoop op een goede oogst al bijna opgegeven. Maar dan komt de keizer in eigen persoon en zie ..... het regent! Een bezoek van Hadrianus aan één van de provincies van zijn immens grote rijk was nooit onder gunstiger omstandigheden begonnen. In de bloedhete zomer van het jaar 128 wilde keizer Hadrianus zelf het legioen inspecteren dat verantwoordelijk was voor de veiligheid in Noord-Afrika. Hadrianus had immers de politiek van expansie van zijn voorganger Trajanus laten vallen en streefde naar grenzen die makkelijker verdedigd konden worden. Hiermee veranderde de taak van het leger; geen aanvallend leger meer, maar een leger dat veiligheid kon garanderen binnen een Romeinse provincie. Zeker in Noord-Afrika waar het in deze tweede eeuw booming-business was in de landbouw en weinig grote militaire acties van vijanden te verwachten waren, kon het leger weleens gemakzuchtig en lui worden. Vandaar dat Hadrianus er zeer aan hechtte met name de 'disciplina' in alle legeronderdelen stevig ter hand te nemen en er alles aan deed om de soldaten en hun bevelhebbers scherp te houden. Hadrianus ging nu naar het Legio III Augusta ter inspectie.

Om orde en rust in de Noord-Afrikaanse provincie (Algerije-Tunesië) te garanderen, was het derde legioen Augusta vanaf 81 gelegerd in Lambaesis, het tegenwoordige Algerijnse dorp Tazoult. Vanaf 123 was het legioen op bevel van de keizer ook bezig om een belangrijke weg aan te leggen en te verbeteren. Het lijkt logisch te veronderstellen dat Hadrianus, vertrekkend vanuit de haven in Ostia, in Carthago (Karthago) op Afrikaanse bodem aankwam en toen deze nieuwe weg nam en reisde via Dougga (Thugga), Mustis en Haïdra (Ammaedara). Al deze plaatsen liggen nu in Tunesië en hebben nog prachtige ruïnes.

Via Tebessa (Theveste, Algerije), toen gelegen in bosrijk gebied, bezocht Hadrianus ongetwijfeld Colonia Marciana Trajana Thamugadi (Timgad) een kwart eeuw eerder gesticht door Trajanus voor o.a. de veteranen van het derde legioen Augusta. Nu nog is het mogelijk Hadrianus te volgen door de straten van Romeins Timgad naar het forum waar de stadsraad voor de keizer een grootse ontvangst organiseerde.

Toen Hadrianus eind juni 128 in Lambaesis aankwam, was de bouw van een nieuw, permanent legerkamp (500m x 400m) van het derde legioen waarschijnlijk nog maar net begonnen. Hij werd ontvangen door Quintus Fabius Catullinus, die hem de verschillende legioensafdelingen in actie liet zien. De keizer en zijn gevolg zagen vanaf een heuveltje hoe de bedrijvige soldaten fanatiek oefenden en razendsnel een kampomheining bouwden. Hadrianus was zeer onder de indruk van hun aanpak en had "ondanks de grote hitte, met erg veel belangstelling en plezier gekeken". In zijn redevoering was hij dan ook vol lof over Catullinus, de onderofficieren en de soldaten. 

Misschien nam Hadrianus dezelfde weg terug naar Carthago, of reisde hij nog verder naar het westen, maar het is ook goed mogelijk dat hij een andere Romeinse weg direct naar het noorden nam. Hij zou dan het curieuze ronde mausoleum van Medracen hebben gezien. In Hadrianus' tijd was dit Numidische grafmonument al ruim driehonderd jaar oud. 

Na Medracen bezocht Hadrianus dan wellicht Constantine (Cirta), een van de rijkste steden van Afrika en de geboorteplaats van Marcus Cornelius Fronto, een geleerde redenaar, "een nieuwe Cicero", die later op bevel van Hadrianus de opvoeding van de beoogde troonopvolgers ter hand zou nemen. Ook de weg van Cirta naar Skikda (Rusicade) aan de kust was net op bevel van de keizer door het derde legioen Augusta in 125/126 aangelegd. Opnieuw een goede gelegenheid voor de keizer om de activiteiten van het leger zelf te bekijken.

Vanuit de haven van Rusicade of verderop vanuit die van Annaba (Hippo Regius) zeilde Hadrianus terug naar Ostia. De overtocht van Noord-Afrika naar Rome kon van korte duur zijn. Liet de oude Cato de senatoren in Rome niet een vijg zien die hij "drie dagen daarvoor in Carthago had geplukt"?
 
Zeer waarschijnlijk was Hadrianus in augustus 128 weer terug in Rome. Op de elfde van die maand vierde hij de "verjaardag van zijn regering". Waarschijnlijk accepteerde hij bij die gelegenheid de eretitel "Vader van het Vaderland" (PP of Pater Patriae). De keizer vond dat hij deze titel, die de senaat hem al eerder had willen geven, nu pas écht verdiende.

© conens & van wiechen A. van Wiechen