128-134

 

Laat in 128 vertrokken Hadrianus en zijn hofhouding – inclusief Sabina en Antinoüs – naar het oosten en in 128-129 overwinterden zij in Athene. In maart 129 verlieten Hadrianus en zijn gevolg Athene en maakten een reis door het oostelijke Middellandse Zeegebied. Er is niet meer precies na te gaan welke steden wanneer en hoelang werden bezocht. De keizerlijke aanwezigheid staat vast voor wat betreft de volgende plaatsen: in maart 129 in Ephese, in juli 129 in Phrygisch Apamea (ten oosten van Pamukkale), winter 129/130 in Antiochia (Antakya), 129 Palmyra (inscriptie op Baalshamin-tempel), 129 Gerasa (ereboog), in 130 in de provincie Judaea – waar men ongetwijfeld verblijf hield in het bestuurscentrum Caesarea aan de kust – en eind juli/begin augustus reisde Hadrianus via Gaza naar Egypte. In Judaea heeft hij ongetwijfeld ook gekeken naar de voortgang van zijn nieuwe plannen: een nieuwe, moderne stad Aelia Capitolina op de ruïnes van het oude Jeruzalem.

De komst van het keizerlijk gevolg vergde nogal wat inspanning, zoals blijkt uit een papyrus uit Egypte. In december 129 was men daar al bezig met het aanleggen van extra voorraden voor het bezoek van midden 130: "200 zakken gerst, 3000 balen stro, 372 speenvarkens, 200 Egyptische schapen, 12 zakken dadels" .... Ook werden bijvoorbeeld erebogen gebouwd en bracht men nieuwe munten in omloop. Rijke burgers lieten zich er graag op voorstaan geld of goederen geschonken te hebben voor het keizerlijke onthaal, zoals Male Agrippa in Palmyra die in een inscriptie trots liet melden "ten tijde van het verblijf van de goddelijke Hadrianus, gaf hij olijfolie aan de vreemdelingen en aan de burgers, geheel borg staand voor de gastvrije ontvangst van de militairen" (Grieks en Palmyrees).

De honderden leden van de keizerlijke hofhouding reisden voornamelijk in wagens, zoals de vierwielige, overdekte carruca getrokken door muildieren of de tweewielige, luxere carpentum. Naast de omvangrijke keizerlijke hofhouding (ambtenaren, bedienden en slaven) reisden delegaties van verschillende steden, koeriers, kunstenaars, architecten e.v.a. (vaak ook weer met eigen hofhoudinkjes) mee.

In eind juli of begin augustus 130 kwam Hadrianus in Alexandrië aan. Egypte, waar hij tijdens de Nijl-overstromingsperiode aankwam, was een land dat de Romeinen mysterieus en soms curieus vonden, maar het was bovenal essentieel voor de (graan)bevoorrading van Rome. Alexandrië, gesticht door Alexander de Grote, was naast zeer belangrijke handelshaven vooral het intellectuele centrum. Hier verbleven Hadrianus en zijn gevolg – onder wie zeker Sabina, Julia Balbilla en Antinoüs – enige maanden. De keizer bezocht ongetwijfeld meerdere malen de bibliotheek en het Mouseion, het huis van de Muzen en hij gaf geld voor restauratie-projecten, onder andere voor de Pharos, de wereldberoemde vuurtoren (rechts).

In september 130 ging de keizer op leeuwenjacht in Libya. Het resultaat is vereeuwigd op een van de ronde medaillons die later werden hergebruikt op de boog van Constantijn in Rome. Jagen was Hadrianus' lievelingssport, maar hij had nog meer, intellectuelere, pijlen op zijn boog (HA 14). Hij schilderde, maakte architectuurontwerpen, schreef zelf proza en poëzie en had steeds redenaars, schrijvers, filosofen en dichters in zijn gevolg.

Eind september 130 vertrok het keizerlijk flottielje naar het zuiden. Misschien dat er voor Hadrianus een speciaal zeilschip was gebouwd. De rest van het gevolg werd waarschijnlijk vervoerd door de classis alexandrina (Alexandrijnse vloot), die ook belast was met de Nijl-bewaking. Wellicht voer men via Naucratis, een Griekse kolonie gesticht in de zevende eeuw vC, naar Heliopolis, ooit een centrum van filosofie en astronomie vóór de stichting van Alexandrië. Volgens een papyrus liet in deze verlaten stad de 'profeet' Pachrates zijn magische kunsten zien: "binnen twee uur had hij iemand ziek gemaakt, in zeven uur veroorzaakte hij iemands dood en zond dromen aan de keizer zelf". Hadrianus raadpleegde immers graag orakels en hield zich met dromenuitleg en astrologie bezig.

Via het Romeinse legerkamp van Babylon (Cairo) bewonderde men de piramiden & sfinx van Gizeh en de enorm grote sarcofagen van de heilige Apis-stieren in Saqqara. Eind oktober 130 was het keizerlijke gevolg bij Hermopolis. Wat er toen precies gebeurde, is niet duidelijk. De antieke bronnen én moderne weten­schappers zijn verdeeld, maar het resultaat van het gebeurde maakte diepe indruk: Antinoüs verdronk in de Nijl. Was het een ongeluk, zelfmoord, moord of een (vrijwillig) offer? In ieder geval was Hadrianus zeer bedroefd (HA 14).

De tocht over de Nijl werd voortgezet naar het zuiden en op 18-20 november 130 was men in Thebe waar de keizer en zijn gevolg meermalen naar de Kolos van Memnon gingen om hem te horen 'zingen'. Julia Balbilla schreef enkele gedichtjes op het stenen beeld die bewaard gebleven zijn. 

Eind 130 waren keizer en gevolg weer in Alexandrië waar ze nog enkele maanden in het nieuwe jaar 131 bleven. Maakte Hadrianus nog een Nijl-reisje naar Antinoöpolis? Of zelfs naar Petra, de stad die een nieuwe naam kreeg: Hadriana Petra metropolis? De verblijfplaatsen van Hadrianus in 131 zijn moeilijk na te gaan. Waarschijnlijk hopte hij per boot langs de oostkust van de Middellandse Zee. De Zuid-Turkse havensteden Phaselis en Attaleia (Antalya) richtten erebogen op ter ere van Hadrianus' komst, maar was dat in 129 of in 131? In ieder geval overwinterde de keizer in 131/132 in Athene.

Waar Hadrianus in de maanden daarna verbleef, is nog een heet wetenschappelijk hangijzer. Het is de vraag of hij op enig moment tijdens de zgn. tweede joodse opstand (132-135) in Judaea is geweest. In ieder geval is het zeker dat hij in mei 134 in Rome was.

 

 verder »»