107-113

 

Dacia was een nieuwe Romeinse provincie en Hadrianus had in ieder geval een gedeelte van de strijd meegemaakt. Volgens geschreven bronnen was zijn optreden krachtig en doeltreffend. Trajanus zou hem gunsten hebben verleend, zozeer zelfs dat Hadrianus gesterkt werd in de hoop eens als opvolger van de keizer te worden aangewezen. Toen in 107 keizer Trajanus in Rome zijn triomf over Dacia vierde en krijgsgevangen Daciërs als gladiatoren moesten 'optreden', was Hadrianus niet in Rome. Hij verbleef opnieuw in Aquincum (Budapest), niet als militair tribuun zoals in 95/96, maar als gouverneur van Pannonia Inferior en tevens als opperbevelhebber. Een belangrijke functie in deze grensstreek van het Romeinse Rijk, waar hij de militaire discipline uitstekend wist te handhaven en de vijanden aan de overkant van de Donau in toom wist te houden.
Hadrianus zag ongetwijfeld de verschillen tussen het oude Aquincum en het 'nieuwe'. Soldaten waren druk bezig om het houten legioenskampement in steen te herbouwen. Ongeveer 2km verderop woonden de plaatselijke 'barbaren'. Hadrianus had bij zijn eerste verblijf nog de half in de grond verzonken hutten gezien waarin de inheemse bevolking woonde. Nu had men al wat Romeinse gewoonten overgenomen. Er waren vakwerkhuizen op stenen fundamenten gebouwd en de hoofdstraat was verbreed. Hadrianus kon de bouwactiviteiten voor een nieuwe tempel en een marktplaats gadeslaan, terwijl de bouwplannen van de thermen al klaarlagen. Tevens begon hij met de bouw van een gouverneurspaleis, dat zeker nog niet voltooid was toen hij begin 108 terugging naar Rome.

Vanaf mei 108 was Hadrianus consul in Rome en tijdens zijn verblijf in de hoofdstad zag hij de nieuwbouwactiviteiten. De enorme buit uit de Dacische oorlogen stelde keizer Trajanus in staat een begin te maken met de herinrichting en uitbreiding van de haven van Ostia en met zijn grootse Forum in hartje Rome. De beroemde architect Apollodorus van Damascus was verantwoordelijk voor de bouw: een groot plein met in het midden een ruiterstandbeeld van de keizer. Rondom liep een porticus aangekleed met levensgrote Dacische krijgsgevangenen in marmer (rechts). Verder was er een openbare basilica en aan weerszijden van de Zuil van Trajanus lagen twee bibliotheken, de ene ingericht met het Latijnse en de andere met het Griekse materiaal. Toen Trajanus en de architect Apollodorus eens in gesprek waren betreffende de bouw, maakte Hadrianus een opmerking. Korzelig zou de architect toen hebben gezegd: "Hou je erbuiten en blijf jij maar je pompoenen tekenen. Je begrijpt niets van dit soort zaken!". Hoe moet een historicus zo'n opmerking duiden? Wordt hier de betweterij van Hadrianus weergegeven of de hautaine houding van een architect die meende dat alleen hij verstand kon hebben van de bouwkunst?

In 110 reisden Hadrianus en Sabina naar Athene. We kunnen ons goed voorstellen dat ze vanuit Rome de Via Appia - door een dichter ooit de koningin van de wegen genoemd - richting Brindisi namen. Hoewel het laatste stuk van de weg nog net niet voltooid was, bereikten ze de haven en namen een schip naar Griekenland. Waar ze aan land kwamen, weten we niet met zekerheid. Wel is het waarschijnlijk dat Hadrianus een bezoek bracht aan de wijsgeer Epictetus. Deze filosoof uit Syria, door Domitianus verbannen, woonde nog steeds in zijn verbanningsoord Nicopolis. Deze (letterlijk) "Zegestad" werd 140 jaar eerder gesticht toen Octavianus - de latere keizer Augustus - hier Cleopatra en Marcus Antonius had verslagen (Actium). Volgens de bronnen behandelde Hadrianus Epictetus "met grote vriendelijkheid". Daarna kan Hadrianus over land naar Athene zijn gereisd, onderweg een bezoek brengend aan het meest eerbiedwaardige heiligdom uit de oudheid: Delfi. Zeker is dat Hadrianus geld fourneerde om restauraties in het Apollo-heiligdom mogelijk te maken, maar dat kan ook geweest zijn naar aanleiding van een later bezoek. Hoe dan ook, we stellen ons zo voor dat Hadrianus en Sabina over de eeuwenoude stenen naar de tempel van Apollo liepen, waar nog steeds mensen naartoe gingen om raad te vragen. Maar een tijdgenoot van Hadrianus klaagde over die "mannen die zich gids noemen" (toen ook al!). Ze vielen bezoekers lastig en raffelden hun teksten aan één stuk door af. Dát was het grootste bezwaar tegen deze 'gidsen': ze hielden nooit hun mond dicht. Ze rebbelden eindeloos over kleine feitjes en over dingen die er al niet meer waren, maar wel ooit in het heiligdom hadden gestaan! Misschien dat na zijn bezoek ook Hadrianus' oren tuitten van al dat triviale gebabbel .... 

Graeculus Hadrianus arriveerde nu in hét centrum van Griekse kunst en cultuur, in Athene. Wellicht was dit zijn eerste bezoek aan die zo vermaarde - maar nu ingeslapen - stad. In Rome had hij mogelijk al kennis gemaakt met C. Julius Antiochos Epiphanes Philopappus, nazaat van de koning van Commagene (ZO-Turkije), en diens zus Julia Balbilla. Nu kon Hadrianus een gastvrij onderdak vinden in Philopappus' huis in Athene. In ieder geval leerden ze elkaar beter kennen en de dichteres Julia Balbilla werd een van de beste vriendinnen van Sabina. Hadrianus bezocht de oude Acropolis, hij bewonderde de dragende marmeren vrouwen - de Karyatiden (rechts) - van het Erechteion en het schitterende beeld van Athena, ruim vijf-en-een-halve eeuw eerder van goud en ivoor vervaardigd door de meesterbeeldhouwer Phidias. Misschien kocht hij er wel een verkleinde replica van het beeld. Zo'n 1m hoge marmeren replica van Phidias' Athena werd door archeologen teruggevonden. Gelukkig maar, want dankzij dit soort Romeinse 'souvenirs' weten we nu nog hoe Phidias' 12m hoge Athena-beeld, waarvan geen splinter bewaard bleef, er heeft uitgezien. Hadrianus moet zich thuis gevoeld hebben in Athene en de inwoners van Athene waren blijkbaar ook op Hadrianus gesteld, want in 112 werd hij ereburger van de stad!

© conens & van wiechen drs A. van Wiechen
verder »»